Het museum en de winkel

Fast foward naar het einde van de 20ste eeuw, naar de plotselinge opkomst van de enorme blauw-gele, huiselijke kledinghangars aan de rand van de stad – misschien wel de onverlichte nakomelingen van Paxtons glazen productiepaleis. Ik kan me mijn eerste Ikea niet herinneren. Misschien is dat ook niet de bedoeling. Wat ik me wel herinner is de ongelooflijk lange reis van begin tot einde. Van parkeerplaats tot entree, de trap bij de ballenbak, het ontwaren van de bovenste verdieping en de diepe, verre horizon ervan. De meanderende route door zones van huiselijkheid. De kamerinrichtingen zonder vierde wand, waardoor je verschillende opstellingen kunt uitproberen, blinde ramen met gordijnen, zomaar wat boeken op een plank. Net genoeg om de suggestie van leven te wekken. Keukens die zich verdubbelen, Siamese werkbladen waaruit roestvrijstalen kranen spruiten. Lange rijen ovens als in een controlecentrum. Allemaal losjes gerangschikt onder een schijnbaar eindeloos dak, een licht slingerend pad, een ongehinderde wandeling langs huishoudelijke producten. En we zijn nog niet eens op de helft.

Wat ik me nog het beste kan herinneren, is het vergeten. Op een bepaald moment tijdens de excursie, terwijl we ons door de ruimte en spullen begeven, neemt een soort verdoofd ontzag het over. Een banale echo van de gewaarwordingen zoals Charlotte Brontë die beschreef van de menigte op de Wereldtentoonstelling. Een soort leeg gevoel, voortgebracht door de verzadiging van de ruimte. Zo’n diepe vergetelheid dat het niet langer voelt als een retailomgeving, maar als iets wat veel onbestemder en veel doellozer is.

Ongeveer zoals de ‘Void Thoughts’ die Robert Smithson omschreef als inherent onderdeel van de museumervaring: 'Het bezoeken van een museum komt neer op je verplaatsen van leegte naar leegte. Gangen leiden de kijker naar dingen die ooit ‘schilderijen’ en ‘beelden’ werden genoemd. Anachronismen komen uit alle hoeken tevoorschijn. Thema’s zonder betekenis drukken op het oog. Veelzijdige vormen van ‘niets’ veranderen in valse ramen (lijsten) die, wanneer geopend, toegang geven tot een verscheidenheid aan lege doeken. Smoezelige beelden heffen de perceptie op en laten de motivatie afdwalen. Blind en doelloos doolt men verder rond te midden van de overblijfselen van Europa, om te eindigen in die grootse misleiding: ‘de recente kunstgeschiedenis’. De drooglegging van de hersenen leidt tot de drooglegging van het oog, terwijl het zicht leegheid als blanco definieert. Waarnemingen vallen als zware objecten uit de ogen. Alle zin verdwijnt uit het zicht, of het zicht is er wel, maar de zin is niet beschikbaar.’

Hetzelfde geldt voor winkelen: het wezenloos ronddolen in een landschap van dingen. Maar het museum en de winkel, de tweelingpaleizen van objecten, creëren een specifieke relatie met ons. Het zijn beide plekken waar dingen geclassificeerd en gekwantificeerd, gewaardeerd en omschreven worden, waarvan de verhalen gepresenteerd worden als onveranderlijk en van nature onderdeel van het ding zelf. Gegroepeerd en bijeengedreven, gestuurd in betekenisvolle performances.

In zijn beroemde essay over de ontwikkeling van de hedendaagse kunstruimte, schreef Brian O’Doherty: ‘De ideale galerie onttrekt aan het kunstwerk alle signalen die storend zijn voor het feit dat het “kunst” is. Het werk wordt geïsoleerd van alles wat afbreuk doet aan zijn eigen evaluatie.’ O’Doherty beschrijft de essentie van deze kunstruimte als een hybride van andere omgevingen: ‘de heiligheid van de kerk, de formaliteit van de rechtszaal, de mystiek van het experimentele laboratorium [samen] met een chic ontwerp om een ​​unieke esthetiekzaal te produceren.’

Met andere woorden, die bekende, hyperverfijnde en geavanceerde standaardruimte van de white cube is zowel leeg als met betekenis beladen. Het is een ruimte die zich samen met de moderne kunst heeft ontwikkeld. De tentoonstellingsruimte gaat aan het kunstwerk vooraf. Het is de ruimte zelf die de vertoning van objecten en onze relatie hiertoe uitvindt en bepaalt. De context is alles. Zoals Bernard Tschumi schreef: ‘Moord op Straat verschilt van Moord in de Kathedraal, net zoals liefde op straat verschilt van de Straat der Liefde. Op radicale wijze.’

Buiten de winkel, het museum en de galerie verdwijnen en muteren de betekenissen van het object, zoals van de objecten in Freuds spreekkamer en de dingen die in de rijen van de Antiques Roadshow worden vastgehouden. Dingen waarvan de categorisatie onduidelijk is, waarvan de betekenis obscuur, vergeten of beschadigd is. Waarvan de waarde twijfelachtig is, de status dubbelzinnig en glibberig. Met andere woorden: dingen die een eigen vermogen hebben om relaties in de wereld te vormen, te onderhandelen over hun eigen verdragen en hun eigen deals te bemiddelen. Dingen met hun eigen agency in de wereld.

Het verlangen naar categorisatie komt misschien voort uit de zeer vreemde kwaliteit van dingen zelf. Dat ze op alchemistische wijze vanuit materie en idee gesmeed zijn, tot een onbekende entiteit. Het object is een ander soort ‘spul’, dat fundamenteel onnatuurlijk is. Na onze uitvinding beginnen objecten zelf een eigen leven te leiden. En het is hun onbekende karakter dat objectangst veroorzaakt: de urgentie om dingen te benoemen en te fixeren.

In plaats daarvan bieden collectievormen die vertrekken vanuit de agency van objecten misschien ruimte aan een productiever soort relatie. De Wunderkammer en curiositeitenkabinetten die uiteenlopende dingen zonder categorische grenzen bij elkaar brachten. Collecties die hun betekenis ontlenen aan spanningen tussen betekenissen, met open eindes. Waar natuurhistorie, geologische voorbeelden, totems, ambacht, imitaties en archeologie naast elkaar bestaan. Waar objecten het recht hebben om hun eigen aanwezigheid in de wereld te doen gelden. Waar we met behulp van hun onbekende intelligentie de mogelijkheden van de wereld leren begrijpen.

"Dit is geen manifest voor de opheffing van het museum, maar een pleidooi om het te bevrijden van de controle op de benoeming van dingen".

Dit is geen manifest voor de opheffing van het museum, maar een pleidooi om het te bevrijden van de controle op de benoeming van dingen. Door de kennis die ze hebben los te laten, door zichzelf niet te beschouwen als instituten waar kennis wordt bewaard, maar waar ideeën worden gecreëerd en nieuwe vormen ontstaan.

Stel je voor dat je op de Londense Exhibition Road wandelt en dat de borden van de gebouwen zijn verwijderd. Niet meer georganiseerd op onderwerp, maar op andere manieren. Een constante rotatie van dingen: een maanlander naast een troon, een dinosaurus en een straalmotor. Of waar zelfs de ijscowagen en het afgietsel van de David beleefd met elkaar in gesprek gaan, als gelijkwaardige vormen van materiële cultuur.

Waar het onderscheid van waarde tussen winkel en vitrine is te zien in hun reflectie. Waar de bewaker die je tas controleert iets zou kunnen opmerken over de kwaliteit van de inhoud. Waar de verhalen die ter plekke worden gehouden niet langer van naties, van aparte culturele pakhuizen afkomstig zijn, of uit het verleden. In plaats van als ‘natuurlijke orde’ worden al deze dingen ook tentoongesteld en geopenbaard als ‘dingen’. Het Museum van Idiotie, de Galerij van Fouten, het Instituut van Eigen Makelij, het Theater van het Onbekende, de Zaal van Culturele Hallucinaties, het Museum van Moderne Manies, de Collectie van Collecties, de Stichting van Stichtingen en het Congres van Objecten.

Met andere woorden: het herontdekken van het museum als een ruimte waar de agency van objecten volledig gemobiliseerd kan worden. Waar de vreemde occulte kennis die ze – ons hybride nageslacht – bevatten, kan worden voorspeld. Voorwerpen als MacGuffins, die het plot motiveren en culturele verhalen opwekken. Objecten die zelf curatoren, choreografen, directeuren zijn. Dingen die aan de touwtjes trekken, waarin onze eigen ideeën zijn gegist, soms in krachtige en woeste brouwsels. Goederen die goden worden.

Wellicht een plek waar we met onze eigen objecten in de rij gaan staan, niet voor een taxatie, maar voor de mogelijkheid om nieuwe dialogen aan te gaan met de wereld van objecten. De leegte van het museum veranderd in een congres van objecten, een unieke zaal, enorm, vreemd, nieuw en onmogelijk om te beschrijven, dat vergezichten in ons onderbewuste opent. Dat is pas een show waarnaar ik zou gaan kijken.